Ik doe mijn ogen open. De ochtend hangt grauw over Agadir. Vroeger vond ik alle ochtenden even grauw - die eindeloze grauwe uren waarin ik mezelf kwelde. Maar hier is dat voor mij een ongewoon beeld, hier heb ik het grauwe van de ochtend nog niet gezien, ik sliep er elke keer doorheen; deze momenten duren hier ook niet zo lang, Agadir ligt al behoorlijk zuidelijk. Ik slaap hier zowiezo goed, zonder dromen en muizenissen.
Ze hebben hier hun revolutie gerealiseerd, onverwacht, stil en bescheiden. Op een moment waarop overal in de wereld het geen pas gaf over omwenteling te spreken besloten zij uit te breken zoals de zon stralend ineens doorbreekt over Agadir. Met mij gaat het goed, zo goed als nergens anders ooit vordien. De best mogelijke omstandigheden: ik ben nuttig en niemand wil mij tot wat overtuigen. Mijn nut: ik kan met springstof omgaan. En zoals overal op de wereld, waar het oude wordt afgebroken en het nieuwe tot wasdom komt, heeft man springstof nodig en heeft men mensen nodig die daarmee om kunnen gaan. Ze hebben mij in hun groep opgenomen; mijn verleden, mijn opvattingen, mijn godsdienst waren daarbij niet te reden noch een probleem. Ik ben de vakman die voor hen werkt, van wie zw willen leren - niemand heeft me naar mijn levensovertuiging gevraagd en niemand wil me de zijne opdringen. Wanneer ze darr mee beginnen, is het voorbij en stap ik op.
Vandaag werd ik eerder wakker dan gewoonlijk. Daarbij was het gisterenavond laat geworden, het vliegtuig uit Kairo had vertraging. Ik probeer mezelf wijs te maken dat ik wegens deze vertraging uit mijn ritme gerakkt ben, dat ik nog doorgedraaid ben van de reis, van de benauwdheid van deze steeds overvolle stad Kairo. Maar gewoonlijk heb ik daar geen last van. Het zijn niet de duizenden gezichten van Kairo die dorr mijn lichte slaap spoken, het is dat ene gezicht aan de hotelbar. Dit ene gezicht kon er niet zijn, net zo min als het mijne. Ik ben niet zeker. Ik kan ook niet zeker zijn. Ik mag het niet toegeven.
Het gezicht van gisterenavond geleek op het gezicht van toen. Waarschijnlijk hat zich dat gezicht sindsdien zeer veranderd, misschien zou ik het nu niet eens herkennen. Tenslotte is het intussen tien jaar geleden. Maar toch is de gelijkenis verbluffend. Ik speel een oud spel dat me al als kind fascineerde: legt men twee gelijkende beelden op elkaar dan springen de verschillen eruit. „Zoek de zeven verschillen" - zo lukt dat van zelf. Maar met deze beelden lukt dat niet zo, het ontbreekt hen aan scherpe contouren. De hele uitdrukking op het gezicht, enigszins spottend, zijn wakkere blik die de mijne opvangt, een open blik maar tegelijk zonder twijfel op zijn hoede, steeds op zijn hoede, die felle kleurtoon tussen groen en blauw - weet ik veel wat daar zo onmiskenbaar aan is. Het zijn geen details die me na zo lange tijd te binnen schieten, het is het geheel van bijzonderheden, en dan is het moeilijk zich te vergissen. Of ben ik er alleenniet meer aan gewend, aan dat wat in die tijd in Berlijn gangbaar was en wat velen behouden hebben, die niet meer veranderd zijn; iets zonder einige bijzonderheid, maar wat iemand midden in het geoel van Kairo onzeker maakt en terugduwt in die tijd?
Het moet in mei geweest zijn, een stralende schitterende morgen, toen we naar de Winterfeldplatz geroepen worden. In die dagen was er om het plein heen een hele rij van grote huurhuizen door jongeren bezet, uit protest tegen leegstand en speculatie. Tegelijkertijd waren de huisbezitters in vele gevallen begonnen met de renovatie van hun huizen. Dit deden ze eerder uit pure angst voor verder kraakacties dan vanuit de veronderstelling dat deze huizen tien jaar later een ideaal speculatie-object zouden worden.
Zo hadden de krakers wat bijzonders veroorzaakt: overal werd geboord en gegraven, en bij werken in en oder oude huizen stootte men in Berlijn telkens weer op oorlogsbommen. Het was verbijsterend hoeveel van deze blindgangers van 150kg en meer verspreid lagen in kelders. In die tijd maakte ik deel uit van de afdeling bij de Berlijnse brandweer die zulke blindgangers onschadelijk maakte. Het was een zonderling gevoelen wanneer men het koude metaal van zo een bom tastte, en de vochtige muffige geur opsnoof die in de kelders hing waar meestal sinds jaren niemand nog een voet had gezet. Angst kende ik daarbij niet, en er is mij in werelijkheid ook nooit iets ernstig overkomen. Men moest daar nu eenmal oog voor hebbem: fabrieksfouten, de vochtigheidsgraad, roestvlekken: zoals een arts een diagnose stelt. Tijdens mijn legerdienst was ik voor dit ssort werk goed opgeleid. Wanneer het er echt gevarrlijk uitzag, bracht men de bommen voorzichtig op luchtkussens naar een open plek in Grunewald waar ze tot explosie werden gebracht. Alleen de bouwvakkers die niets vermoedend er met de baggermachine tegenaan gingen, liepen werkelijk gevaar.
De situatie was bizar en tegelijk komisch: in nummer 15, waar al gebouwd werd, hadden de bouwwerkers een bom von 250 kg gevonden, en het huis daarnaast, wan aan wand, was een van de beruchtste en meest omstreden kraakpanden, een soort van centrale waar de kraakbeweging samenkwam, door de politie tot „kriminele schuilplaats" verketterd. Uniform en blauw flikkerlicht waren toen geen gewenste objecten op de Winterfeldplatz. Toen wij er aankwamen stond een menigte van honderden mensen ons aan de straatkant reeds op te wachten. Het was volstrekt tegen elke redelijkheid in: in plaats van voor het gevaar uit de weg te gaan, ging men het tegemoet. Intussen was de politie in de verwarring begonnen via luidsprekers de omwonenden luid aan te manen hun huizen te verlaten. De fronten hadden zich verhard: vertrouwen hadden de krakers alleen al uit principe niet in de politie; en ook deze keer roken ze onraad. Daar hadden ze beslist goede redenen voor, ik zou de politie ook niet geloofd hebben.
Zo liepen we tussen een haag van vijandigheid naar nummer 15. In de gang rook het naar stof en mortel. Ik daalde de kellertrap af. Beneden hing een nevel, de lichtkegel van mijn lamp verzakte in een matte laag van dik stof dat niet wijken wou. Op deze ondergrond liep ik ondanks mijn zware bottines geruisloss. Hier beneden voelde ik me weer beter: het was er stil en ik had wat te doen. In de troebele duisternis was ik een zwak pitje. Dan vond de lichtstraal eindelijk de bom: ze lag begraven onder een puinhoop. Voorzichtig trok ik een aantal steenbrokken weg, een mikadospel tegen het monster, niets bewoog. Eigenlijk zag het er niet moeilijk uit: een stabiele zijkant, de metaalmantel was wonderlijk goed bewaard, niets onberekenbaars. Ik had voldoende gezien. Ik keerde terug naar boven en sprak met de leiding van de onderneming. Ik zei hen dat alles er goed uit zag en dat ik dacht zowat een half uur nodig te hebben. We raakten erover akkoord dat minstens de vier huizen tot aan de hoek ontruimd zouden worden, aangezien de huizen zo vlak tegen elkaar stonden. De politieleiding vroeg een uur uitstel om verder met de krakers te onderhandelen.
Een uur wachten - ik was niet van plan terug in de wagen te gaan zitten en weer de stompzinnige opmerkingen van mijn collega’s aan te horen. Ik had niets tegen krakers en de zaak waarvoor ze stonden; mijn zus behoorde ook tot hun groep. Afgaande op mijn gevoel, voelde ik me eerder aan hun zijde staan. Alleen dat zendingsbewustzijn stond me tegen. Mijn zus had nog geprobeerd mij over te halen om te verhuizen naar hun kraakpand in Kreuzberg, omdat men daar, zo zei ze dat, in een half jaar zoveel kon ervaren als anderen niet eens in een heel leven meemaakten. Sindsdien meed ik de plek, ik had gewoon geen zin in dat snellere leven. Ik wist dat het alleen maar een lege huls was, net zoals de fabel van het snelle geld. Zij waren ijveraars en dat stond me tegen en dat weerhield mij ervan hen te helpen, maar vijandig waren ze mij niet. Daar lag en bom, en ik zou deze bom onschadelijk maken - daardoor zou ik de bestaande verhoudingen niet veranderen - toch wou ik het ook voor hen doen. Eén uur had ik nodig, wanneer ze bereid waren tot medewerking, en daarna konden ze naar hun huizen terugkeren; dat was mijn manier om hen te helpen. Op dat ogenblik was ik met mezelf in het reine, en ik voelde enige trots. Het was me niet duidelijk dat ze op het verzoek niet in zouden gaan.
Ik ging naar een cafeetje aan de andere kant van het plein. Het was er behoorlijk druk, vooral jongelui, de muziek klonk luid tussen de opgewonden gesprekken. Ik zette me aan de toog en bestelde een watertje. In mijn blauwe uniform, mijn gereedschap aan de gordel, en mijn zware werkschoenen was het meteen duidelijk: ik hoorde hier niet bij. Als enkeling in hun gezelschap kon ik voor niemand gevaarlijk zijn en ik rekende erop, anders dan buiten waar kollectieve haat werd uitgedragen, hier vriendelijkheid te vinden, zelfs al was deze doorspekt met scepsis en nieuwsgierigheid. Naast mij aan de toog stond een koppeltje. De jongen zag er behoorlijk wild uit alsof hij de hele nacht had doorgevierd en die morgen ook had gedronken. Maar hij had een wakkere blik en kijk me onverstoorbaar aan, waakzaam en van op afstand, met stralende ogen tussen blauw en groen; zoals iemand die eingenlijk moe had moeten zijn maar het niet was. Het grietje aan zijn arm had niets van dit alles; met haar oranje geverfde haare en kapotte jenas werkte ze weliswaar ook aan haat wilde stijl, zoals dat hoorde voor de plek en de tijd, alles klopte, maar haar blik kwam be braaf over. Ze was een braaf meisje, dat kon ze niet verstoppen. Het werd stil om me heen, misschien vrewachtten ze wel een officiele mededeling van mij. Ze moesten toch weten dat ik een van de anderen was, misschien hadden ze zelfs gezien dat ik beneden in de kelder was geweest. Het meisje achter de toog zette de muziek zachter, om alles beter te verstaan. Maar ik had hen niets te zeggen. Tenslotte sprak de jongen mee aan. Hij vroeg wie deze hele onzin had bedacht en wou weten sinds wanneer de brandweer nu ook al aan deze spelletjes meedeed. Zijn stem klonk hees en ik meende te merken dat hij niet prettig in zijn vel zat. Hij was wel een soort van woordenvoerder met gevoel voor stemmingen zoals alle kuddeleiders. Hij had begrepen dat zijn kameraden deze geschiedenis van een bom gewoon niet geloven wilden. Hij begreep het belang van de geloofwaardigheid, maar de situatie liet hem in de steek, em met de stem van het gezonde verstand te spreken. Van bij het begin gaf zijn agressieve toon mij geen kans. Ik zou moeten rechtvaardigen, en darr had ik mooi geen zin in, ik had dat niet nodig. Ik trok mijn schouders op en zei maar niets. Hij liet het echter niet hierbij en voer verder: „Jullie zijn lafbekken, louter lafaards, angsthazen - jullie durven niet eens meer gewoon te liegen. Wanneer de flikken ons opruimen willen moeten ze maar een ander fabeltje verzinnen en niet zulke nullen sturen." Vermoedelijk beeldde hij zich in dat hij mij heermee ontmaskerd had; zij „ontmaskerden" ann een stuk door de hele wereld, dat was een van hun lievelingswoorden. Het liet me onverschillig. Toch lukte het hem mij woedend te krijgen, omdat hij, zonder dat hij het wist, de trots die ik tevoren nog gevoeld had in mij wurgde. „En jij bent niks anders dan een kleine idioot", zeii ik. „Wanneer ik niet zelf naar beneden zou moeten gaan, wenste ik je toe dat de boel in je smoel ontploft." Ik was graag met hem alleen geweest, maar zo had het geen zin, onder deze omstandigheden was het onmogelijk om iets te willen verklaren. Ik draaide me om en ging weg. Natuurlijk voelden ze zich hierdoor gesterkt; uit de lafheid die ze me toedichtten, puurden zih hun moed. Ze joelden me na als hadden ze gezegevierd.
Ik stak het plein over en zette me op een bank. Hun gejoel klonk tot hier slechts gedempt door. Ik probeerde me in hun gedachtenwereld te verplaatsen maar het lukte me niet. Even later zag ik - hun chef had het parool gegeven, deze hele geschiedenis was niets anders dan een val om hen uit hun huizen te drijven - hoe een hele groep van het café uitzwermde en terugkeerde naar hun huis. Het meisje met het oranjehaar was ook bij hen. Ze behoorde tot de volgzame massa en alsdusdanig was ze een offer en moest men medelijden met haar hebben, zo schrijft de algemene opinie het voor. Ik had echter meestal meer medelijden met de daders. Ik had steeds gevonden dat ware tragiek slechts de daders toekomt. Met gesloten ogen keek ik naar de zon. Ik voelde met niemand medelijden, ik voelde helemaal niets, geen pijn en geen trots. Door het helle rood van mijn oogleden dreven gele en violette cirkels.
Zo rustte ik enige tijd en keerde dan terug naar onze wagen die een stukje verder geparkeerd stond en door de politie afgeschermd werd. Het uur was voorbij maar het had niets opgeleverd. Ze wilden niet weggaan. De politie deelde ons mee dat ze zich verder om een overeenstemmende oplossing zouden inspannen en dat de zaak dus nog langer zou gaan duren. Prettig vond ik dat niet, wat mij betrof wou ik liever meteen beginnen. Maar we wouden verder moeten wachten. Zo trokken we ons in de wagen terug en speelden kaart, zoals we altijd deden als we moesten wachten. Bij uitzondering waren we het hierover allemaal eens: er was nauwelijks wat dat we meer verfoeiden dan wachten. Dan knalde het: knal boem paukenslag. Een oorverdovende explosie, het kletterde en loeide door de lucht, een reuze stofwolk vormde zich. We sprongen uit onze wagen. Als zich de stofwolk enigzins opgelost had, gaapte een groot gat in de breuklijn van de straat. Twee huizen waren in mekaar geklapt in een wirwar van steen en hout. Een enkel ogenblik was het helemaal stil geworden maar dan brak de kabaal los: het kreunen van muurwanden die wankelden tot ze niet meer overeind bleven en als een stuk stervend vee neerploften; dan luid geschreeuw wat al snel door loeiende sirenen overstemd werd. Verdwaasd stond ik daar. Ik kreeg ook geen gelegenheid tot mezelf te komen, zo snel werd ik weggebracht.
Tijdens deze eerste ogenblikken stortte alles zich op de plek des onheils, en wat zich daarvan verwijderde werd niet opgemerkt. Daarop hadden de beide mannen gerekend, die me vanachteren vastgrepen en opzij schoven. Ze zetten mij in een wagen en reden met mij weg, zodat ik ter plekke nauwelijks wat zag. Pas later zag ik foto’s in de pers. Waarom het huis in de ene richting neergeklapt was werd mij niet duidelijk. Zoals de bom gelegen had moest het huis eigenlijk langs de andere zijde ingestort zijn, waar zich niemand bevond. Maar dat alles deed eigenlijk niet ter zake. De bom had het zo gewild: Die zijde en niet de andere. Misschien vergiste ik me ook. En dat was om de dooie dood niet het enige merkwaardige bericht in de krant. Naast het portret van de gedode kraker bevond zich bovendien mijn foto: „in de uitoefening van zijn plicht door de bom aan flarden gereten" - de tekst vloeide over van bombast. Zeker werd op mijn begrafenis veel over mijn moed en dapperheid gesprokken, ik was er graag bijgeweest maar toen was ik reeds ver weg. Ze hadden mij een aanvaardbaar aanbood gedaan: een nieuw leven elders en veel geld. Opeens kon ik eindelijk ontsnappen aan wat me al jaren kwelde, kon ik aan die benauwdheid ontkomen. Ik had me altijd ten dele veilig gewaand, maar nu werd ik duidelijk dat ze alles geweten hadden, werkelijk alles van bij het begin. Het was verbijsterend maar tevens rustgevend. Hiertegen had ik nooit enige kans gehad. Misschien was ik op hun aanbod niet ingegaan als ik grond daarvorr had of dapper was geweest. Maar ik had geen goede reden en van dapperheid moest ik niet weten.
In tegenstelling tot mijn bange vermoedens leit deze geschiedenis mij snel met rust. Ze slaagde er niet in zich in mijn dromen te nestelen. Ik ben daarna nooit meer naar Berlijn teruggekeerd. Tot gisteren bestond Berlijn niet meer voor mij. En dan gisteren dat gezicht. Steeds weer dat gezicht van de jongen die toen naast me in de krant stond.
Ik ben niet zeker, ik ben zeker. We hebben elkaar niet begroet. We konden
niet om mekaar heen, maar we hadden zoveel clementie met ons zelf, dat
we niet eens naar mekaar knipoogden. Doden kunnen namelijk niet knipogen.
Alleen in uitzunderlijke gevallen.
(© Chris Weise, 1991/
Vertaalster: Ida Troch, Breda, 1995)